Weg

Ik ga met hem naar New York! Mmm, heerlijk wandelen door Central Park met een bekertje koffie in onze handen, net als bij ‘Sex and the City’. We doen wie het eerst een taxi kan roepen. En dan doen we net alsof we elkaar niet kennen en dan delen we de taxi en dan gaan we zoenen op de achterbank. We gaan naar ChinaTown, daar lopen we alle Chinese kitschwinkeltjes af. We kopen souvenirs die anderen nooit zouden kopen, omdat het eigenlijk geen souvenirs zijn. Maar wij vinden het leuk om met een typisch Chinees kitschbezempje thuis te komen. Wij samen. We lopen innig gearmd over straat en iedereen kijkt naar ons, omdat onze liefde ons op een andere frequentie laat golven. Stralend zweven we boven de dagelijkse sleur en hectiek uit.
Hij is prachtig in zijn nieuwe pak. Ik ben adembenemend in mijn eigenlijk te dure jurk met veel te dure ‘Manolo Blahniks’. Wij zijn prachtig samen. We drinken whiskey in een barretje op Broadway. Hij lacht, omdat ik lach en daar moet ik weer om lachen. Hij kietelt, streelt en zoent mij en ik hem. En hij mij en ik hem en daarna ontbijten we pancakes. De vermoeide serveersters kijken met weemoed en verlangen naar onze verzadigde blikken.

Met een oorverdovende klap zet de agent koffie op een vies plakkerig plastic tafeltje. In mijn buik borrelt de rauwe realiteit naar boven. Ik ren naar de wc. Huilend kots ik mijn dromen uit. Wat zei die man nou? De chauffeur had teveel gedronken? Waar ben ik in godsnaam? In welke nachtmerrie ben ik beland? Ik heb net zijn nieuwe pak van de stomerij opgehaald. De zoom zit nu precies goed. Morgen gaan we. We zullen stralen en mensen zullen kijken. Naar ons.

In de verte hoor ik iemand vragen of het goed gaat. Aan mij.

Zijn pak past precies, zei de mevrouw die het hem aangetrokken heeft. Ik mocht hem niet meer zien. ‘Choquerend onherkenbaar’, zei ze.

Hij wil heel graag s’ nachts met mij op het Empire State Building staan. In de wolken. Boven de lichtzee. Boven het geroezemoes van de rest van de wereld. Wij alleen.

Aan mijn vinger zit de ring uit het doosje. Het doosje zat in de zak van zijn spijkerbroek. Het is een lieveheersbeestjesringetje. Ik voel armen en handen die mij dragen, duwen en steunen. Mijn benen zijn zo zwaar, ik kan deze weg niet lopen. Ik wil niet. Het lukt niet.
Overal bloemen. De kerk is vol met mensen. Alle ogen kijken naar mij. Huilen naar mij. Vanaf de kist kijkt hij naar mij. Hij lacht. Ik heb die foto gemaakt. Drie weken geleden. Hij zei:‘Ik hou zo ontzettend veel van je.’ En van schrik liet ik zijn fototoestel vallen. Niet kapot. Ik zie mij in zijn bril weerspiegelen. Wij samen.

De man van de annuleringsverzekering vraagt aan de telefoon of ik niet zonder hem wil gaan. Zonder hem? Zonder hem. Zonder. Gek woord eigenlijk, net of het niet bestaat: zonder. Zonder. Zonder.