Stilstaan

‘Zo dat is een hele papierwinkel! Mooie vulling voor de papierbak.’ Hij lacht. Neemt alle tijd. De cassiere van de Gamma glimlacht terug. Ik probeer me niet te ergeren.
Ik denk aan duizend en één dingen tegelijk. De grote platen die ik nodig heb voor een project op school wiebelen op een zo’n onmogelijk te besturen stellagekar. Als ik opschiet met het afleveren op school, ben ik nog op tijd op mijn werk.
Ik kijk naar hem. Hij heeft een karretje achter zijn scootmobiel gemaakt. Dat past precies door de doorgang bij de kassa’s.

Als ik me even later naar buiten manouvreer, met die stellagekar waarvan de wielen altijd de andere kant opgaan. Bots ik tegen zijn aanhangkarretje aan.

‘Ooo sorry!’ roep ik. ‘Er is niets beschadigd hoor!’
Hij kijkt mij glimlachend aan vanaf zijn scootmobiel. Hij zit precies in het zonnetje. Hij draait een sjekkie en zegt: ‘Geeft niet.’
Ik worstel de kar naar de auto.
Hij zegt: ‘Fijn hoor. Een auto. Ik wou dat ik hem nog had.’
We hebben een geprekje:
Over de auto.
Over het karretje.
Over zijn overleden vrouw.
Over dat de mensen hem herkennen met die kar.
Dat hij daar trots op mag zijn.
En over dat iedereen haast heeft.

Hij rookt. En dan zie ik het. Besef ik het.

Als ik in de auto zit, zwaait hij.
Ik zwaai terug.

Om de hoek, moet ik verschrikkelijk huilen.
Hij is precies mijn vader.
Alsof hij even komt zeggen dat ik niet zo moet haasten.
En dat juist die gesprekjes van niets, alles zijn.
Voor iemand. Ook voor mij.