Loslaten

Mijn adem gaat tekeer alsof ik me verslik in een te grote appel, mijn hart is stormram die zo hard beukt dat mijn benen als grondvesten heen en weer zwabberen. Mijn lichaam zuigt zich vol met een allesomvattende leegte. Het hoofd verdoofd en tegelijkertijd helder. Mijn ogen die kijken en zien wat er niet meer is, zien wat er niet zou moeten zijn: De ziel uit zijn lichaam gezogen. De pijpenkrullen nog veerkrachtig langs zijn hoofd. Zijn engelachtige haar. Ik kan hem nog dragen. Ik laat hem niet los. Ik laat hem niet gaan. Veertig komma drie kilo woog hij zich nog gisteren op de weegschaal. Ik voel het niet. Ik voel hem niet. Ik ruik hem niet. Mijn god. Mijn engel. Mijn prachtig kind. Een straaltje bloed. En een slap lijf. Mijn kind. Mijn kind . MIJN KIND! Er is niks meer. Ik zie alleen hem. Mijn alles dat er niet meer is.

Ik open mijn ogen, wild om me heen slaand. Gillend zonder geluid. Ik kan er geen woorden aangeven. ‘Zal ik een kopje koffie voor je maken, mama?’ Hij maakt de lekkerste koffie. Met opgeklopte melk. Een blij gezichtje van cacao er op. Ik weet dat hij vaak op zijn tenen loopt. Hij spiegelt mijn kindzijn. Mijn niet gezien zijn. ‘IK ZIE JE’ wil ik schreeuwen. Maar ik maak geen geluid. Ik weet dat hij een afleiding tussen zijn vader en mij wil zijn. Dat hij de sfeer kan omdraaien, altijd de lach wil laten zien opdat hij de spanning niet meer voelt. Met een klein gebaar, een knuffel. Zijn serene blanke huid. Hij leek altijd al op een engeltje. Hij doet altijd iets wat je niet verwacht. Vanuit puurheid. Alsof er een kransje van licht om heen straalt. Een puurheid die hem zo eigen is.

Hij is geen voetballer. In zijn eentje dwaalt hij over het schoolplein, sinds zijn maatje van school is. Hier en daar een praatje makend. Zijn slechtziende blik reikt niet ver, zijn gevoel wel. ‘Daar wordt hij sterk van’ zeggen ze bij de zoveelste uitdaging in zijn leven. Bij weer iets waar hij tien keer harder voor moet werken dan een ander kind. Ik haat ze soms die alleskunnende talentvolle kinderen, met hun populaire zelfvoldane innerlijke rust. Met hun geslaagde ouders en hun altijd aanwezige opa’s en oma’s, tantes ooms neven, nichten. Volle verjaardagstafels. De hele rataplan.

De spiegel. Het niet kunnen bereiken. Mijn eigen onkunde. Het er net buiten staan. De onmacht. Ik moet hem laten gaan. Ik wil vast houden. Ik moet vertrouwen hebben. Hij is sterk, door al die fucking uitdagingen en het harde werken. Door het op zichzelf kunnen staan. Ik moet mijn eigen leven op orde maken, waardoor hij zichzelf kan worden, zodat hij het huwelijk van zijn ouders niet hoeft te dragen. Volgende week heeft hij een openlesmiddag op zijn favoriete middelbare. O, als hij in godsnaam maar niet uitgeloot wordt. Laat hem ook een keer geluk hebben! Loslaten mama en volwassen worden.
De deur uitlopend roept hij: ‘Ik hou van je!’ ‘We moeten praten,’ zeg ik tegen zijn vader.