Eigen pijn eerst

‘Dus, waar is dat recept dan?” Ik ren gestresst heen en weer. We doen weer mee met ‘Come and eat’, we krijgen deze keer een gevluchte familie uit Syrie te eten. De tafel moet nog gedekt, de linzenschotel is nog niet klaar, en waar heb ik mijn mobiel gelaten? Het geluid staat uit weet ik. De man des huizes gaat de gasten ophalen. De oudste zit nog in bad. (Vakantie in combinatie met puberschap is nogal een aanslag op een logische dagindeling.) Ik heb de tafel half gedekt, roep om hulp van de jongste en begin met het snijden van de paprika. Ik pak het grote koksmes van de AH. Terwijl ik omkijk en mijn mobiel zoek waar het recept op staat, voel ik hoe soepel het f*cking scherpe koksmes door mijn vinger heenglijdt. Ik weet meteen dat het mis is. Mijn oudste belt op zijn mobiel B.: mijn eerstehulpvriendin. De schat komt meteen. Ze scant de situatie en legt een nooddrukverband aan, zodat we toch de gasten kunnen ontvangen. De stress om het eten vloeit langzaam weg. Ik geef me over. Ik realiseer me: De soep is al klaar en J. kan straks de linzenschotel afmaken. Waar maak ik me godsnaam druk over. Er zijn wel ergere dingen in de wereld weet ik, als ik even ga zitten met een kopje thee.

Ze komen binnen via de achterdeur, lachend om de kippen en de kat. Er worden foto’s van de dieren gemaakt. Ze worden opgepakt en geknuffeld. Oma (50) lacht en is verbaasd dat J. het eten af moet maken. Ze neemt het graag over. In Syrie hielp ze in het restaurant van haar zoon. Ze hakt de koriander professioneel. Als een keukenmachine. Handig zo’n scherp koksmes. In de opvang kan ze niet koken, ze hebben er alleen een magnetron. De jongste van de kleinkinderen is negen, zijn vader is overleden in de oorlog, de oudste is veertien, hij wil dokter worden, omdat hij weet wat pijn is. Hij wil beter maken, zei hij. De man blijkt een zoon en oom (27), met blauwere ogen dan Leonardo Di Caprio.

Ooit vertelde meester de Vries (vijfde klas, lagere school), ter illustratie van een bijbels verhaal, ik ben vergeten welke, dat je eigen kleine wondjes altijd meer pijn doen, dan het leed van anderen. De wond van mijn vinger klopt. Ik word erdoor afgeleid als zij vertellen over de boottocht kwamen. Onze Marokkaanse overbuurman schuift aan en vertaalt. De vuchtelingenzoon (27) vraagt waarom Europeanen bang zijn voor hen. Ik leg uit dat mensen vaak bang zijn voor het onbekende. Hij denkt erover na. Ik ook. We spreken over andere normen en waarden en respect. Ik bekijk de foto’s van de nichtjes die er niet bij zijn op de telefoon van oma. Sommigen zijn geblondeerd, vet in de make up, met strakke truitjes. Het is wel duidelijk dat de Syrische mannen al wat gewend zijn aan vrouwelijk exposure. Sommigen foto’s zouden recht uit een Suit Supply reclame kunnen komen.

Er is ook een foto van de dode zoon. Daar kijkt ze wat langer naar. Ik knik. We spreken over de problemen die er momenteel zijn met Arabische jongens en westerse meisjes. Ik zeg tegen oma, dat Arabische jongens vaak als prinsjes opgevoed worden. Ze lacht. De vluchtelingenzoon denkt dat grensoverschrijding aan de opvoeding ligt. En dat het een universeel probleem is. Dat denk ik ook.

De linzenschotel is geen doorslaand succes, ze vermijden het gerecht. Net zoals mijn kinderen. De worteltjes worden door oma uit hun soep gehaald en ik zie de stukjes gourgette naast de borden van mijn jongens liggen. Oma en zoon checken regelmatig hun mobiel. Aan tafel. Ik zie mijn kinderen kijken: bij ons kost dat eigenlijk tien cent. Niemand zegt er wat van. Hier hebben ze internet. Ze zijn constant in contact met de rest van de familie.
De vluchtelingenjongetjes gamen met mijn kinderen. Ik heb ze op het hart gedrukt dat er geen schietspelletjes gespeeld mogen worden. Terwijl ik naar de vluchtelingenkinderen kijk bedenk ik me, ‘Het zijn onze zoontjes die hier als prinsjes opgevoed worden.’ De oudste die dokter wil worden houdt het hoofd constant licht gebogen en kijkt schuin omhoog. Schuchter, onderdanig. Hij spreekt al wat Nederlands en praat alleen als wij hem wat vragen. De jongste is zo’n kind dat je niet ziet in een klas. Hij past zich doorlopend aan. Zijn naam is ook niet blijven hangen.

Als de familie weer teruggaat naar de opvang, moet ik naar de huisartsenpost. Een arts in opleiding helpt me. Heldere blauwe ogen. We grappen over de AH messen. We begrijpen elkaars humor. Er zou een FB-pagina voor AH-messlachtoffers zijn. Voor de zekerheid mag ik liggen, omdat ik mezelf een watje vind. J. twittert er ondertussen vrolijk op los: ‘Kolere @Sasklei heeft het topje van haar linkerwijsvinger er half afgesneden! Wat een supermes van mijn bestekzegels.’ Ik ben nog net geen trending topic.

Thuis word ik geknuffeld. Mijn jongens zijn geschrokken van de grap, dat ik aan het infuus moest en een nachtje moest blijven. Ik ben er gelukkig gewoon. We praten na over het Syrische gezin. Als ik vertel dat de vader van de jongste (9) dood is gegaan in de oorlog, herhaalt J(12) wel een paar keer dat dat niet zou moet mogen. Vind ik ook. Ouders moeten er voor een kind (kunnen) zijn. Of het nou prinsjes zijn, gewone burgers of vluchtelingen.