Het is de wind mijn lieve kind

Ik vertrek om 07.15 richting Zwijndrecht. Op miraculeuze wijze leidt Googlemaps me binnendoor naar Zwijndrecht. Het is prachtig. Geen file. Mistflarden en een schilderachtige neonzon. Nu en dan verblindend. Oranje en roze wolken. Groene weilanden. Leegte. Verstilling in het ontwakende landschap.

Er zijn vier vrouwen als ik arriveer. Ik geef een hand die zij met twee handen aannemen. Ze kijken me met warme en zachte ogen aan. Ik ben bijna een uur te vroeg. Twee vrouwen verzorgen een ontbijt. Met de andere twee praat ik tot de rest komt. Binnen één nanoseconde praten we over het leven. Over liefde. Zelfbewustzijn. Alma (70) zegt: ‘Als ik problemen heb, vertel ik het de zee. Als ik mijn problemen aan anderen vertel, weet ik niet bij wie het terecht komt en wat ermee gebeurt. De enige aan wie je je problemen kan vertellen is je moeder. Zij helpt je.’ Ze lacht. De vrouw naast mij vraagt of ik kan zien hoe oud zij is. Ik zit er ver naast. Alma zegt over haar: ‘Het is de zachtheid en warmte die haar jong houdt.’ Ik kijk nogmaals in haar fluwelen ogen. Er is nog iets anders, realiseer ik me, als ik hen beide aankijk. Ik heb contact. En ik voel het in mijn hart. Er arriveren meer dames, er komt taart op tafel en pannenkoeken en er wordt ter plekke Borek gemaakt. In de oven. Warmte.

De keuken is ondertussen gevuld met drieëntwintig allochtone vrouwen en drie kinderen. De voorlichting kan beginnen. Over sociale media en opvoeding. Het is een totale chaos, iedereen praat door elkaar in allerlei talen en eet en omhelst. Al dan niet gehoofddoekt. Heerlijk.

Als ik uitleg dat selfiemeisjes verslaafd kunnen raken aan aandacht die zij op hun uiterlijk krijgen en daardoor tegelijkertijd een diepe leegte van binnen ervaren, omdat niemand ziet wat er in hen leeft en dat het niet gezien worden hetgene is wat hen kwetsbaar maakt, kijk ik naar Alma.
In mijn gedachten zie ik haar naar de zee lopen, waar ze haar problemen vertelt. De wind neemt ze mee. Niemand die het ziet.

Ik noem Alma en de zee als voorbeeld. Ineens is het muisstil. Je laat jezelf niet zien aan onbekenden op internet. Geen persoonlijke gegevens delen. Cameraatje afplakken. Iedereen knikt instemmend. De Borek is klaar, warm en geurig. We eten en delen. Omstebeurt komt er iemand iets vragen. Er is ook een vraag of ik tips heb voor leuke apps om eenzaamheid te verdrijven.
Dinsdag zijn ze er weer, zeggen ze, dan is het soepdag. Ik moet absoluut terugkomen voor de Afghaanse sinaasappeltaart (goddelijk). Dan kunnen we hem samen maken. Er is geen woord gewisseld over problemen, maar zoveel gedeeld.

Als ik terug naar Utrecht rijd, door het oneindig laagland, is de mist weggetrokken. De horizon is helder. Ik denk aan mijn moeder die ik altijd belde na een klus, of op weg naar mijn werk. En aan de leegte van het niet meer kunnen delen. Het niet gezien worden. En aan wat zij vroeger altijd zei: ‘Het is de wind mijn lieve kind.’
Snel maar weer eens naar zee gaan.