Death in Paris

Begraven worden in Parijs. Dat is wat ik wilde.
Ik was negentien en au-pair in Parijs, met een wereld van gekartelde postkaarten
romantiek aan mijn voeten.
Smachtend naar een levenslange Doisneaukus, telkens weer thuiskomen op Gare du Nord, flaneren door musea en parken als Monceau &Tuileries.
Rendez vous met bruinogige George, Juliën, Robert & Francois die zachtjes gekalligrafeerde woorden in mijn oor fluisteren.

Ik dwaal door mijn herinnering aan verlangens. Toen dacht ik nog heimelijk dat ik zou gaan schrijven.(Nog steeds, eigenlijk.) Ik blijk echter een woordenverzamelaar van het leven.
Het ordenen in zinnen, strofes, scripten gaat verloren in de waan van de dag.
Mijn zoon roept, zijn huiswerk is klaar.

Hij is vijftien.
Over vier jaar ligt er een wereld van flitsende mangastories voor hem.
Hij verlangt naar grote stripogen, die hem in een onbegrijpelijke taal aanstaren. Over zijn doodgaan wil ik liever niet nadenken:
Dat hij naar een popconcert zou gaan.
En dat hij zou denken dat de knallen die hij hoort bij de anime horen op het podium.
En dat hij denkt: ‘Wauw hoe vet!’ Éénentwintig seconden lang.
En dat hij daarna beseft: ‘Het is fucking real life..’
En dat ik dan maar hoop dat hij een hand vastheeft van de mooiste ogen die hij ooit gezien heeft.
En dat hij daar dan in verdwijnt. In een onbegrijpelijke taal.
Maar zoals ik al zei: ‘Ik denk daar liever niet over na.’

Als je doodgaat in Parijs, mag je daar begraven worden.
Behalve als je met jouw verlangens die van een ander opblaast.
Dan is er niets dan leegte voor je moeder om zich aan vast te houden.
Ik denk aan de zin, die ik als negentienjarige in Palais de Tokyo las en als woordenverzamelaar opschreef:
“Il n’y pas de mystère, c’est votre savoir que vous tuera.”

Zijn huiswerk is inderdaad af, hij mag op de Playstation.
Binnen no time knalt hij vier personages neer. I
Ik zeg zijn naam, hij kijkt me met grote bruine ogen aan:
‘Wat? Mam! Shit, nu ben ik dood!’
‘Sorry, zeg ik, ‘het spijt me.’