Ziekenfabriek

In de Toverberg van Thomas Mann stroopt de tijd voorbij en is er alle tijd om beter te worden. Er is zelfs sprake van liefde. In de Ziekenfabriek van mijn vader gaat de desbetreffende hoofdpersoon met de transportdienst in high speed naar de rontgenafdeling. Daar moet hij afgekoppeld van zijn katheter een kwartier wachten. Maar dan moet hij plassen. De Transportdienst (gekleed in witte pakjes, maar herkenbaar aan het fleurige biesje) blijkt ongeschoold personeel en mag alleen maar bedden heen en weer rijden. Er is nergens een verpleger vrij die kan helpen met het allergrootste probleem van dat moment: een volwassen man helpen voorkomen dat hij in zijn bed plast. Er is niemand gekomen. Hij heeft in zijn zakdoek geplast.

De mensen, verpleging/transportdienst/doktoren/etc. liepen de benen onder hun lijf vandaan. Zelfs toen ze aan het eten waren, kon ik ze roepen om hulp. Maar mijn god, wat een productiewerk. In de wachtkamer bij de rontgenafdeling kon ik het niet helpen, maar vroeg ik me wel af of Balkenende nog een vader heeft. En of hij al wel eens zo met zijn vader in een kale wachtruimte naast drie rochelende mannen in een bed heeft gezeten. En of hij dan ook dat oude vrouwtje heeft gezien, liggend in een voor haar veel te groot bed met een groene kaart in haar blauw be-aderde handen geklemd als bewijs dat zij al een foto heeft gehad. Ze wacht op de transportdienst.

Terug op zijn gedeelde kamer, staat de volgende arts klaar. Voor een hartfilmpje. ‘En morgen om 11.00 uur krijgt u een scan en om 13.30 uur moet u naar de vaatchirurg.' Mijn vader kijkt mij onbegrijpend aan. Mijn vader is een beetje in de war. Regelmatig wil hij ineens opstaan en dan zit hij aan zijn infuus te trekken. Ze denken, dat hij dan even niet weet wat hij doet. Ik denk, dat hij dan juist heel goed weet wat hij moet.
Wegwezen hier.