Bloemkool met draadjesvlees

‘Ik vond ooit een baby-eekhoorntje. Het was een heel kleintje. Hij was uit de boom gevallen. Ik heb het mee naar huis genomen.’
Mijn moeder snijdt het vlees van mijn vader.
Mijn kind luistert en kijkt met grote ogen naar zijn opa.
Mijn mannetje eet het draadjesvlees op dezelfde manier zoals ik dat deed: Hij kauwt oneindig.
Ik geef hem een stukje keukenrol waar hij zijn tot papier mache verworden klompje vlees in kan spugen. Ik deed dat vroeger stiekum. Ik zou flink op mijn duvel gekregen hebben als mijn vader had gezien dat ik eten uitspuugde.

‘Ik gaf hem melk uit een flesje. Hij was hartstikke mak.’
Ik kijk naar mijn vader. Ik zie dat het hem vermoeid, ons bezoek. Maar zijn ogen stralen, als hij met veel intonatie verder gaat over het voeden van het eekhoorntje. Over die ene Duitser in de keuken. Over de razzia in Putten. Over de bommenwerpers die over de school vlogen. En vol ontzag vertelt hij over zijn vader die schreeuwde tegen een Duitser. Zijn adem stokt. Hij slikt. ‘Mijn vader was een held’, zegt hij. Hij ontvluchtte de razzia en schuilde in het kelderhok. Mijn vader zucht. Vierentwintig mannen uit de familie verdwenen.
Mijn zoontje heeft als thema ‘Vroeger’ op school en moet opa en oma interviewen.

‘Ik stond zelfs met een foto van het eekhoorntje in de krant. Hij zat gewoon op mijn hand, zo tam was hij.’
Hij heeft ouderdomsvlekken op zijn doorschijnende hoofdhuid.
Zijn snor heeft hij nog. Chemo-bestendig.
Mijn moeder vertelt, dat mijn vader achteruitgaat, dat hij zo moe is en dat de eerste nacht van een nieuwe kuur zo zwaar is. Ze vertelt over het kotsen in de nacht. Over de pijn. Over dat de wc net te ver weg is. Over er bijna in stikken. Over de uitputtingsslag. Over het rekken van zijn leven.
Ik realiseer me, dat rekken geen oneindig begrip is.

‘En toen deed ik echt iets heel stoms! Ik zette het dak van zijn kooitje in de teerverf. De volgende dag lag hij dood in zijn kooitje.’
Ontzet kijkt de kleinzoon op.
‘Ik heb er keihard om gehuild. Wat vond ik dat erg.’
Ik kijk mijn vader aan, hij kijkt naar zijn kleinzoon, mijn zoon kijkt naar mij.

Terug in de auto begint de kleine dierenliefhebber over de eekhoorn.
‘Erg he, mama?’
‘Ja’, zeg ik, ‘Heel erg.’