Daar ben ik nog niet aan toe

‘Mama… ik ..eh ..ik..wil al heel lang iets zeggen, maar ik denk dat pappa en jij boos worden..’
We fietsen in het donker bij een vriendje weg. De Willem de Zwijgerstraat uit. Ik kijk hem verbaasd aan.
‘Ik eh.. denk ..eh.. weet ..dat Sinterklaas niet bestaat.’
Alsof er iemand met een taai taai pop in mijn gezicht slaat. Ik heb totaal niet in de gaten gehad, dat hij niet meer in de goedheiligman geloofde! Wie heeft wie hier nou voor de gek gehouden?

‘Maar lieverd’ zeg ik ‘wie denk je dan dat zondag die brief geschreven heeft?’ Sinterklaas zei daarin, dat hij het niet leuk vond, dat de broertjes zo brutaal waren geweest en daarom zat er deze keer niets in de schoen. Zoonlief hield zijn oren dicht bij het voorlezen en schaamde zich diep. Hij wou het niet horen. ‘Jullie’ antwoordde hij. ‘En waarom sta je dan zo hard voor je schoen te zingen?’ vraag ik. ‘Voor mijn broertje natuurlijk.’ ‘En waarom wil je dan altijd naar het Sinterklaasjournaal kijken?’ ‘Gewoon, die pieten zijn zo dom.’ ‘En het schijnen met de Mac Lite van papa op de daken dan?’ ‘Mama, dat is toch gewoon leuk!’ ‘Maar ik heb zondag wel echt de hoofdpiet gezien hoor! Hij was alleen wit.’ Hij kijkt me verrast aan. ‘Cool’ zegt hij.

Ik ben even met stomheid geslagen en ik kijk naar mijn zoon. Net 9 geworden, een kleine grote vent al. Het was ook geen gezicht; schoenmaat 38 met zo’n bospeen erin. Maar toch… Hij fietst keurig door het drukke verkeer en let goed op. Ik hoef hem niet een keer te waarschuwen.
Ineens denk ik aan een vriendinnetje van de middelbare school. Zij had tegen haar moeder gezegd, dat ze aan de pil wilde. ‘Maar daar ben ik nog niet aan toe!’ riep haar moeder. ‘Maar ik wel’ riep mijn vriendin.

Toen ik hem net in bed legde, zei hij: ‘Maar ik geloof nog wel in jullie hoor.’
Ik denk toch, dat de sint hem een mooi kado geeft.