Vrij

Mijn ene zoon schopt voortdurend tegen grenzen aan; die van zichzelf en tegen die van anderen. Met zijn ontwapenende fantasie creëert hij een wereld waarin goed altijd van kwaad wint en waarin dino’s gewoon naast mensen kunnen leven. Grenzen vervagen en verdwijnen. In zijn belevingswereld zijn er nauwelijks grenzen. Hij begrijpt ook vaak niet waarom ik hem soms niet begrijp. Waarom ik zijn gedachten niet kan lezen. Waarom ik niet snap dat alles wat hij doet zijn reden heeft. Hij leert mij verder kijken. Door hem zie ik de schoonheid van een steentje.

Mijn andere mannetje zoekt de veiligheid van grenzen. Voor hem kan het niet duidelijk genoeg zijn. Rood is stoppen. Fout parkeren is een boete. Regelmatig zet hij het speeltuintje achter ons huis vol met pionnen. En wee zijn gebeente van diegene die er langs gaat zonder te betalen. Hij begrijpt niet, dat ik soms toch door rood rijd. Hij zoekt zijn vrijheid in grenzen. Hoe duidelijker hoe beter. Met zijn fotografisch geheugen baant hij zich een weg door zijn afgebakende zekerheid. Als hij zegt dat het kusjesdag is, wordt er gekust. Hij leert mij keuzes maken en beloftes nakomen. Door hem sta ik stil bij wat ik doe.

Op de camping hebben we alledrie zwarte voeten. Rennen we over het strand. Doen we spelletjes. Komen we prachtige Schotse Hooglanders tegen. De oudste gaat er net te dicht bij staan, de jongste roept hem angstig terug. De oudste onderzoekt de gevonden drolletjes met in de ene hand zijn liniaal en in de andere hand zijn natuurboek voor kinderen, een vossendrol is de uitkomst. De jongste wijst een verdwaasde puber in de doucheruimte terecht: “Je mag niet in je neus peuteren.”
We voelen ons alledrie vrij om te zijn. We genieten en ademen de schone zilte zeelucht in. Het weer schenkt ons ook nog een strakblauwe lucht.

Op 4 mei hebben we onze eigen dodenherdenking. Met zijn drieen staan we om 20.00 uur boven op het uitkijkduin. Om ons heen ruimte en een enkele roofvogel. In de verte horen we de koekoek. De wind waait hard over de in duizend kleuren groene duinen. We hangen met onze rug tegen de wind in. Ik vertel mijn mannetjes over de oorlog. Dat er gewone mensen verdwenen. Ook de kaasboer en ook een buurjongetje en ook een vriendje en een oma en een overbuurvrouw. De jongste vraagt hoeveel mensen er ontsnapt zijn. Ik vertel dat mijn opa tijdens een razzia in een schuilkelder zat. Mijn oudste vertelt over Anne Frank. Ik zeg, dat we vrij kunnen zijn door mensen die gevochten hebben. Dan zingen we hand in hand tegen de wind in het Wilhelmus en zijn we 2 minuten stil.

Nadat we de duin afgerend zijn, zegt de jongste dat hij het jammer vindt dat wij geen schuilkelder hebben.
Eerlijk gezegd ben ik er blij om.