Geen ‘kutmarokkaantjes’

Waarom alleen maar succesverhalen van gastarbeiderskinderen?
Dit is de meest gestelde vraag die Sladjana Labovic gesteld kreeg na het presenteren van haar boek: ‘En we gaan nog niet naar huis.’
Labovic interviewde voor haar boek vijfentwintig gastarbeiderskinderen en verwoordt haar eigen verhaal in het voorwoord. Het zijn inderdaad geen ‘kutmarokkaantjes’ die hun verhaal vertellen.

Misschien zegt deze vraag meer over de vragensteller dan over de keuze van de schrijfster, want volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de werkloosheid onder ‘niet-westerse allochtonen’ (defintie CBS: allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië - exclusief Indonesië en Japan - of Turkije) in 2009 11% . Onder westerse allochtonen ligt dat percentage op 6% en bij autochtonen op 4%. De tweede generatie heeft het dus blijkbaar goed gedaan.
De meest gestelde vraag naast de cijfers van het CBS roept bij mij wat vragen op.
• Hoe kan het dat het beeld van de media zo verschilt van de feiten?
• Hoe kan het dat de tweede generatie zo succesvol is?
• Is de derde generatie minder succesvol?
• Wat gebeurt er met de vragensteller als blijkt dat zijn beeld niet klopt, stelt hij dan zijn beeld bij, of zijn daar nog meer boeken/ documentaires/ krantenartikelen voor nodig?

Het is niet aan mij om pasklare antwoorden te geven. Ik ben geen media expert noch sociaal psycholoog. Ik begeef me in mijn dagelijks werk echter wel op contextueel terrein. Vanuit deze invalshoek bekeken hebben de levenslopen uit het boek ieder een persoonlijk antwoord op de vraag hoe het kan dat de geïnterviewden ‘het zo goed doen’.

Zo zegt Abdelghafour El Bacha (televisie- en radioredacteur en in 1977 geboren in Marokko) op pagina 87:
“Op mijn werk zie ik ’s ochtends en na kantoortijd de schoonmakers aan het werk. Ik behandel ze met respect door ze te groeten, later naar de wc te gaan als ze nog bezig zijn en soms een praatje met ze te maken. Dat is niet alleen gewoon fatsoen, maar ik realiseer me dat zo’n schoonmaker ook mijn vader had kunnen zijn. Of een oom. Ik zie weleens dat mijn collega’s ze gedachteloos voorbijlopen. Dat steekt.”
De ouders van zijn vader hielpen zijn vader om naar Nederland te gaan. Zodat hij hen weer kon helpen door geld te sturen. En zo geschiedde. Zijn vader kwam o.a. in een Nederlands gastgezin terecht waar hij zich zeer welkom voelde. Iedereen was geïnteresseerd in hem en zijn collega-gastarbeiders. Ook vertelt hij veel respect voor zijn ouders te hebben, dat ze toch een bestaan in Nederland hebben weten op te bouwen terwijl ze ongeletterd waren en de taal niet spraken.

In deze geschiedenis kun je zien, dat opa heeft hard moeten werken om vader naar Nederland te helpen, zodat hij een goede toekomst kon opbouwen.
Vader heeft hard moeten werken in Nederland om zijn bestaan in Nederland op te bouwen, de gelofte aan zijn ouders in te lossen en om een goed fundament te leggen voor zijn kinderen.
Abdelghafour El Bacha kent het verhaal van zijn voorouders. Hij heeft zijn vader en moeder zien zwoegen. Hij is het aan hen verplicht om de kansen die hij gekregen heeft waar te maken. Hij kan niet anders dan hard werken en slagen. Zo voelt hij zich met hen verbonden. Ondanks het zware werk en het ongetwijfeld harde leven zit er veel positivisme, hoop en liefde in deze lijn. Dat is wat werkt.

Ik hoop dan ook van harte dat de leraar van Abdelghafour die twee van zijn klasgenootjes een denkbeeldige bezem voorhield wanneer hij het over hun toekomst had, dit boek leest. En mocht die leraar nog voor de klas staan, dan raad ik hem aan deze succesverhalen ter inspiratie aan te bieden. Dat helpt misschien de negatieve beeldvorming rondom allochtonen om te vormen naar een meer realistische kijk op Nederlanders met een andere culturele achtergrond.

Ter ontroering en inspiratie:
En we gaan nog niet naar huis
Sladjana Labovic
Nieuw Amsterdam