Burenliefde

Grimmig. Een woord waar ik niet snel aan denk. Grimmig. Ook wel bars. Maar meer toch grimmig. Berlijn. Er lag een dikke laag sneeuw en het was bar koud. Iedereen diep in zijn veel te grote grauwe jas gedoken. Zo’n houding waardoor je als vanzelf wantrouwig om je heen gaat kijken, omdat je je verstopt voor de kou. Er hangt al snel een druppel aan je neus. Dat probeer je te verbergen door nog verder in je schuilplaats te duiken. Ogen kijken schichtig heen en weer. Niet teveel bewegen, want dan komt de kou door het kleine vrijgekomen kiertje.

In de Zoo was het stil en wit en koud. Met hier en daar een bezoeker. En wij: mijn kleine wereldreiziger en ik. Via het apenhuis liepen we naar Knut de ijsbeer. De meeste apen zaten alleen en soms per twee in een betegeld hok voor zich uit te staren. Ze pulkten verveeld aan stokje. Hier en daar lag een plasje, zoonlief gruwelde en hij vond het stinken.
Een oerang oetang lag tegen het raam en keek ons lodderig terug aan. Een aap die alleen zat schraapte stopverf met een stokje weg bij het raam waar wij doorheen keken en at het voor onze ogen op.
Ik vroeg me af of de aap high werd van de stopverf. Ik dacht aan een psychiatrische inrichting. Ik dacht eraan hoe ik zou reageren als ik opgesloten zou zitten en de hele dag bekeken werd. Plassend, parend en poepend. Ik dacht dat het heel gek is om een aap in een badkamer te zetten, alleen maar omdat het dan zo goed schoon te houden is. Ik dacht aan zacht mos en gedempte geluiden en bosjes waar je achter en in kan zitten en aan lucht die je aan kan proberen te raken. En aan lianen. Ik dacht aan ontsnappen. En ik dacht aan warmte.

Na onze warme chocolade melk met uitzicht op Bahnhof Zoo (inderdaad van Christiane F.), gingen we met een dubbeldekkerbus naar de Potsdammerplatz.
Mijn kleine buschauffeur genoot en stuurde lustig mee; we zaten vooraan en bovenin. ‘Yeah we could be heroes.’ Ik zag een laatste stukje muur. En we keken naar hoogbouw en nieuwbouw en naar veel en luxe en is het nou West of Oost met al die Russen die hier in dure auto’s rijden?

Het was in ieder geval koud, toen we voor het Holocaust-Mahnmal stonden. Het monument bestaat uit 2711 donkergrijze betonblokken varierend in hoogte van 20 cm tot 4,5 meter. Tussen de betonblokken is 95cm ruimte.
We deden er verstoppertje, tikkertje en pakkertje. En ik zei tegen de kleine man, dat hij hier beter geen oorlogje kon spelen. Het is net een monumentale begraafplaats dit anonieme blokkencomplex. Het gaat naadloos over in alle vierkante architectuur van Berlijn. Toch neemt dit doolhof een gedenkwaardige plek in. ‘Leuk, zo’n monument,’ zei de kleine man weghollend.

Altijd heb ik me afgevraagd hoe er in godsnaam zoveel mensen vanuit Nederland getransporteerd konden worden naar de vernietigingskampen. Wie hebben er aan meegewerkt? Waarom zeiden de buren niets? Waarom woonden er anderen in hun huis toen de overlevenden terugkwamen?
Mijn Duitse vriendin vertelde dat haar oma verkracht werd door de Russen. Dat haar voorouders Polen ontvlucht zijn. Daarna vroeg ze: Waarom hebben Nederlanders zo’n hekel aan Duitsers?
Oost-west-goed-fout, zo duidelijk blijkt het allemaal niet te zijn.

De volgende dag stond ik in een gebruikte transportwagon uit WOII. Tochtig, kaal en koud. Ik liep in de voetstappen van de schreeuwende mensen op de zwart-wit foto’s. Hoe deden ze hun ontlasting? Hoe hielden ze hun hongerige kleintjes stil? Hoe kun je dat transport alleen al overleven? Wat voel je nog als je waardigheid is afgenomen en je niet meer te kunt zijn wie je bent? Niet iedereen is een Bokito.

Knut stoeide en dartelde, de witte grote beesten genoten van de sneeuw en sprongen met een enorme plons in het ijskoude water. Het kon hen niets schelen, dat even verderop een aap stopverf zat te eten en daarna zachtjes zong: ‘Ich möchte ein Eisbär sein.’



27 januari Holocaust Memorial Day
‘Het is gebeurd en daarom kan het weer gebeuren.’ (Primo Levi, overlevende van Auschwitz)